Een met paarse bougainville begroeid achttiende-eeuws kloostergebouw was wel het laatste dat ze had verwacht na de oncomfortabele reis naar een van de meest onderontwikkelde stukjes van Mozambique. Toen schrijfster Lisa St Aubin de Terán vier jaar geleden voor het eerst aankwam in Mossuril, Noord-Mozambique, wachtte haar een verrassing: 'Aan het eind van een zandweg in de rimboe koloniale paleizen te vinden, was een surrealistische ervaring. Maar het was shockerend te zien hoe slecht de historische gebouwen eraan toe waren.'
De Britse bestsellerauteur drinkt koffie in de opgaande zon op de brede muur voor haar kamer. De veranda kijkt uit op de binnenplaats met gele acacia's en Afrikaanse amandelbomen. Om half zeven 's ochtends heerst nog rust in de school en heeft St Aubin de tijd aan zichzelf. Als om acht uur de studenten komen, is dat voorbij.
Het is moeilijk voorstelbaar dat dit gebouw met zachtgele muren en perkjes in de tuin hetzelfde is als de vervallen ruïne die ze destijds aantrof in het dorp Cabaceira Grande. Toen lagen de veranda's vol gebroken dakpannen, had het weer vrij spel in de lokalen en vraten polsdikke wortels van ficusbomen zich door de eeuwenoude muren van koraalrots. Nu het dak is hersteld, de waterput uitgeschept en de groene drab van de muren geschraapt, functioneert het klooster als de enige lokale school voor toerisme en landbouw in het district, met St Aubin als directeur. Sinds 2005 woont ze met haar nieuwe liefde, de Nederlandse cameraman Mees van Deth, en haar jongste dochter Lolly in Cabaceira Grande. Haar nieuwste boek, Mijn dorp in Mozambique, gaat over haar leven en werk in dit vergeten gebied aan de Mozambikaanse kust.
Lisa St Aubin de Terán (1953) is misschien nog beroemder om haar bewogen leven dan om haar boeken, stelt ze zelf met enige spijt vast. Op haar zeventiende trouwde ze met een Venezolaanse aristocraat die bankrover en revolutionair bleek te zijn. Ze emigreerde met hem naar zijn familielandgoed. Haar echtgenoot bleek ook nog eens schizofreen, was meestentijds afwezig en liet het runnen van de suikerplantage en -fabriek aan haar over. Als La Doña van deze hacienda in de Andes leerde ze er het land bewerken.
Sindsdien trouwde en scheidde St Aubin nog twee keer, respectievelijk met een dichter en een kunstenaar. Haar levenswandel was haar inspiratiebron voor vele memoires en romans die wereldwijd zijn gepubliceerd. Als journaliste reisde ze de hele wereld over, rusteloos zoekend naar iets waarvan ze wist dat ze het herkennen zou, zodra ze het zag.
In 2003 toog ze met de Nederlandse cameraman Van Deth, die later haar levenspartner zou worden, naar Noord-Mozambique om er een documentaire te maken. Haar kennismaking met de Makuabevolking in deze regio zou haar leven veranderen. Het maakte een einde aan haar omzwervingen over de planeet: 'Ik heb nooit ergens wortels gehad, maar wel de behoefte ergens bij te horen. Bij mijn eerste bezoek aan Mossuril wist ik dat ik mijn bestemming gevonden had.'
St Aubin woonde op dat moment nog in Amsterdam, had een filmbedrijf en werkte zeven dagen in de week in haar kantoor aan de gracht, vlak bij de hortus botanicus. Groter verschil met de serene kalmte van het afgelegen mangrovegebied was nauwelijks mogelijk.
Het ritme van de natuur beheerst letterlijk het leven in de Cabaceiras. De mangrovebossen kun je alleen doorkruisen bij laag water en overal moet je rekening houden met de getijden. Het kleinste kind kan vertellen hoe laat het vloed is en zodoende te gevaarlijk om nog op pad te gaan. St Aubin: 'Er heerst harmonie. Over het algemeen vormen mensen een storende factor, maar hier maken ze deel uit van het natuurlijke ritme. Dat brengt een vredige rust die me ontzettend aanspreekt. Ik ben een kalm persoon en ben altijd op zoek geweest naar rust.'
Ook het vanzelfsprekende gemeenschapsbesef van de Makua trof haar. 'De Makua zien zichzelf als een piepklein stukje van de schepping. Hun voorouders geven het leven continuïteit, leiden de dorpelingen naar het juiste pad. Hoe de gemeenschap jou ziet, is bepalend voor je identiteit. Dus behandelen mensen elkaar met compassie. Er zijn geen dorpelingen waarvoor niet wordt gezorgd als ze dat nodig hebben, geen wezen zonder thuis en geen oude weduwes die verkommeren.'
Ze herinnert zich de eerste keer dat ze op een Arabische dhow de oversteek maakte naar Ilha de Moçambique, een eilandje voor de kust dat ooit de hoofdstad was van het land en een belangrijke handelspost voor slaven. Ze zag hoe een kind een koekje dat het kreeg toegestopt, zonder aarzelen in zessen brak en ieder kind aan boord een stukje gaf. 'Deze mensen hebben nooit hulp van buiten gehad, maar vinden het vanzelfsprekend elkaar te helpen.'
Ook haar eigen afkomst verbindt haar met deze plek. De auteur, kind van een Britse moeder en een Latijns-Amerikaanse vader die ze nooit heeft gekend, sluit niet uit dat haar betovergrootouders ooit als slaven van hieruit zijn verhandeld naar Zuid-Amerika: 'Dit is voor het eerst in mijn leven dat ik daadwerkelijk ergens thuis zou kunnen zijn. Mijn Afrikaanse voorouders zouden heel goed uit deze contreien kunnen komen. Misschien stam ik wel af van deze dorpelingen in de mangroves.'
De Makua-cultuur fascineert haar en wil ze beter leren kennen. Hun geloof, de mythes die ze elkaar vertellen en de magie waarmee het dagelijks leven is doordrenkt, het past allemaal bij de magisch-realistische sfeer van St Aubins boeken. 'De Makua leggen geen grens tussen werkelijkheid en fantasie. Als ze hier zeggen dat iemand 's nachts verandert in een leeuw, bedoelen ze dat letterlijk. Ik heb daar helemaal geen moeite mee. Ik ben schrijfster, ik heb mijn hele leven verhalen geschreven waar ik op den duur zelf in geloofde.'
Haar eerste band met Mossuril was dus puur persoonlijk: de aantrekkingskracht van de schoonheid van het ongerepte kustgebied en het harmonische bestaan. Daarna ontstond de wens om de gemeenschap te helpen. St Aubin: 'Ik heb me altijd al voorgenomen rond mijn vijftigste te stoppen met waar ik dan ook mee bezig was om het ontwikkelingswerk in te gaan. Toen ik de noden van de lokale bevolking zag, wist ik dat ik dat hier wilde doen.'
In het hele district was geen arts te vinden en de meeste dorpelingen waren ondervoed. Er heerste een tekort aan bijna alles, behalve zeezout. Maar vooral was er gebrek aan scholing. De enige school in de Cabaceira's ging slechts tot de vierde klas basisonderwijs en bijna niemand kon het zich veroorloven daarna elders verder te studeren.
St Aubin raakte in gesprek met de bereisde Morripa, een ontwikkelde dorpeling die na de halve wereld te zijn overgegaan terugkwam naar Cabaceira Grande om zijn mensen te steunen. De door het dorp zeer gerespecteerde 47-jarige man benadrukte voor alles de behoefte aan onderwijs in zijn gemeenschap. Zijn inzichten gaven een richting aan St Aubins intentie om iets te doen voor de mensen: na avondenlang praten met Morripa besloot ze scholen te gaan stichten in Noord-Mozambique. Morripa's beloofde steun voor zulke projecten was essentieel voor haar: 'Hij wilde zijn leven wijden aan dit project om zijn dorp te helpen. Zijn gemeenschap stond achter hem. Dat gaf de doorslag. Te vaak wordt ontwikkelingshulp opgedrongen. Als je niet luistert naar wat de mensen nodig hebben, werkt het niet.'
Morripa werd haar gids en medemanager. 'Zonder hem was ik nergens. Van officiële gelegenheden kom ik met blauwe enkels terug', zegt ze lachend, 'want steeds als ik iets verkeerd zeg of doe dat tegen het protocol ingaat, schopt Morripa me om me daarop te wijzen. Zo voorkomt hij verdere blunders.'
Het vervallen klooster was het ideale onderkomen voor het eerste onderwijsproject: een beroepsopleiding voor toerisme en landbouw. Toen het achttiende-eeuwse monument samen met de dorpelingen min of meer bruikbaar was gemaakt, opende het Colégio de Turismo e Agricultura in 2004 zijn deuren.
De lessen van het college beginnen om acht uur 's ochtends, zodat de studenten en medewerkers uit Cabaceira Pequena op tijd aanwezig kunnen zijn. Zij waden iedere ochtend bij laag water door de mangrovebossen en de lagunes. Een wandeling door de mangroves geeft je het idee hoe nietig een mier zich moet voelen die tussen de grassprieten van een enorm voetbalveld doorkruipt. Smalle paadjes met een laagje water slingeren tussen bomen waarvan de luchtwortels koepels vormen die soms tot je schouders reiken.
Op het idee van een horecaschool, waar de toerisme-afdeling van het college zich vooral op richt, kwam St Aubin toen ze ooit drie uur moest wachten op haar lunch in een van de weinige restaurants die het district rijk is. Toerisme in Mossuril is een groeisector. De stranden aan de azuurblauwe Indische Oceaan liggen er nog even ongerept bij als toen ontdekkingsreiziger Vasco da Gama hier in 1498 aan land ging, en dat bleef niet onopgemerkt. Het college anticipeert op de groei van de horeca, stelt de auteur.
Dat het werkt, toont de praktijk. Het is een soezerig hete dinsdagmiddag. In het oefenrestaurant 2 Coquieros krijgt een student tafeldek-instructie, de manager in opleiding staat achter de bar. Onder het bananenbladeren dak overlegt de eigenares van een bar van een dorp verderop met St Aubin. Ze zoekt een nieuwe kok en een kelner. Achteraf zegt de collegedirecteur opgetogen: 'In plaats van zoals gebruikelijk op zoek te gaan naar personeel ver weg in de stad, komt ze naar ons toe. Steeds vaker krijgen we dit soort verzoeken. En wij weten goede salarissen te onderhandelen, met minimumloon en vergoeding van ziektekosten. Het geld van een persoon met zo'n baan komt ten goede aan wel dertig mensen in de familie. Toen we hier begonnen was er bijna 100 procent werkeloosheid. Beetje bij beetje gaat dat omlaag.'
Dat het college naast de horecarichting een agrarische opleiding zou krijgen, was voor St Aubin vanzelfsprekend. Haar kennis van en liefde voor de landbouw stammen uit haar tijd in Venezuela. Zoals ze nu door de moestuin van de Mozambikaanse school loopt, van tijd tot tijd bukkend om onkruid tussen de rijen sla, tomaten en lente-uitjes vandaan te plukken, kun je je voorstellen hoe ze in een van haar vorige levens de rol vervulde van de Doña op een gigantische suikerplantage in de Andes.
Het nieuwe leven van de schrijfster ontbeert elke vorm van luxe. Aanvankelijk sliep ze nog op de vloer, waar de ratten langs haar matras scharrelden. Stromend water is er niet en elektriciteit komt mondjesmaat van een generator. Maar niemand hoeft haar hierom te beklagen: 'Ik offer me niet op, ik geniet hiervan. Ik werk keihard en de bemoedigende resultaten zijn de enige beloning die ik nodig heb.'
Hoe ze weet dat haar hulp beklijven zal? Dat niet alles als een kaartenhuis instort op het moment dat ze haar kont keert? 'In Venezuela heb ik al geleerd te luisteren naar mensen. Het Colégio is van het dorp, niet van mij. Het is hun project, hun school, hun restaurant. Ik bemoei me steeds minder met het management. Uiteindelijk moet de school zichzelf bedruipen. De commerciële verkoop van de groenten die de studenten verbouwen kan genoeg opbrengen om alles draaiende te houden. Je eigen broek kunnen ophouden, dat is ware onafhankelijkheid.'
De Nederlandse titel van het boek, Mijn dorp in Mozambique, vindt ze dan ook ongelukkig gekozen. 'Veel te paternalistisch. Terwijl ik nooit echt deel zal uitmaken van dit dorp. Het is al meer dan duizend jaar hún dorp, en zij zijn zo goed om mij en mijn gezin toe te laten. Ik blijf een buitenstaander.'
'Ik zie mijn rol als die van katalisator. Ik geef de mensen de kans verder te denken dan de dag van vandaag. Belangrijkste vraag voor de meesten is of ze vanavond te eten zullen hebben of niet. Met een beetje meer perspectief in de vorm van een opleiding of een baan, kunnen ze daar overheen stappen. Dan durven de dorpelingen te vertellen waar ze in het geheim van dromen. Een timmerwerkplaats, een garnalenkwekerij, een handel in bouwmaterialen... Als het realistische projecten zijn met kans van slagen zullen we helpen met bijvoorbeeld microkredieten. Zo trekken ze zichzelf uit de armoedeval.'
In de Afrikaanse eenvoud van de Cabaceira's vindt St Aubin de mentaliteit terug van de boerenbevolking op het Venezolaanse landgoed. Op haar 24ste moest ze met haar dochter dat land uitvluchten omdat het gedrag van haar schizofrene echtgenoot te levensbedreigend werd. 'Vanaf het moment dat ik de hacienda heb verlaten, ben ik op zoek naar een plek met dezelfde uitdaging, naar mensen met een zelfde begrip van waar het leven eigenlijk om draait. Deze vraag is in de westerse wereld veel moeilijker te beantwoorden dan in de Derde Wereld. Als je ouder wordt en je sterfelijkheid beseft, komt er een moment dat je je leven zin wil geven. In Afrika is dat makkelijker om te doen. Daarom komen westerlingen zo graag naar dit continent.'
Ze heeft zich steeds schuldig gevoeld dat ze de straatarme bevolking op de hacienda in Venezuela destijds in de steek moest laten. 'Ik heb altijd gezegd, er komt een dag dat ik terug zal keren naar een plek waar ik zo nuttig kan zijn.' De schrijfster die alle continenten afreisde heeft die bestemming nu gevonden in Mozambique: 'Ik ben eerder verliefd geworden op een land, maar het was altijd tijdelijk. Nog nooit had ik het gevoel dat ik nu heb: dat ik nooit meer wil reizen. Zelfs niet meer naar het volgende dorp.'
www.Teránfoundation.org
Lisa St Aubin de Terán, Mijn dorp in Mozambique, Meulenhoff 2007