Waarom wordt er zo moeilijk gedaan over de villa van het kroonprinselijk paar in Mozambique? Zakendoen in een arm land is kennelijk nog steeds lastiger uit te leggen dan het doneren van een kindertehuis.
Laten we bij wijze van gedachte-experiment de vakantievilla van Willem-Alexander en Máxima nou eens transponeren naar Zuid-Frankrijk. Of Sicilië. Of Nederland, waar de bouwwereld nog nasiddert van de corruptieschandalen. Zou het hele land dan ook zo in rep en roer zijn geweest over de kroonprinselijke investering?
In het debat over het vastgoedproject op het Mozambikaanse schiereiland Machangulo klinkt een paternalistische ondertoon die niets te maken heeft met de vraag of de uitbaters van het project wel of geen maffiosi zouden zijn, maar eerder met de vraag of het ethisch verantwoord is om als rijke zaken te doen in een arm land.
Een toon perfect verwoord door Michiel Zonnevylle, voorzitter van de Bond van Oranjeverenigingen, die vindt dat de kroonprins zich moet terugtrekken uit het project, omdat het 'zeer ongelukkig is om voor zo'n arm land als Mozambique te kiezen.'
Waarom is investeren in een arm land ongelukkig? De Wereldbank noemt de vooruitgang van Mozambique sinds het eind van de burgeroorlog begin jaren negentig opmerkelijk. In 1997 leefde 70 procent van de 20 miljoen Mozambikanen onder de armoedegrens, inmiddels is dat met minstens drie miljoen gedaald tot minder dan de helft van de bevolking. De kindersterfte daalde met 40 procent en het basisschoolbezoek steeg met 76 procent.
In de recent uitgekomen Human Development Index van de UNDP blijkt Mozambique zich de afgelopen twee decennia het meest te hebben verbeterd van alle landen. Op de index, die onder andere levensverwachting, BNP per hoofd en alfabetisme meet, scoort het zuidelijk-Afrikaanse land in vergelijking met 1990 50 procent hoger, was onlangs te lezen in The Economist. Een uitzonderlijke prestatie, die onmogelijk was geweest als alle investeerders dezelfde scrupules hadden getoond als de Oranjevoorzitter.
Vorige zomer was ik op Machangulo en sprak er met de bewoners. Bewoners van een onderontwikkeld schiereiland waar tot ver in de twintigste eeuw geen geld was en geen elektriciteit. Zij willen niets liever dan dat er geïnvesteerd wordt in hun ongerepte duingebied, opdat hun kinderen naar school kunnen en ze 's avonds hun huiswerk kunnen maken bij elektrisch licht. Die bewoners valt niet uit te leggen dat Nederlanders waarschijnlijk wel hadden ingestemd met een olifantencrèche of een kindertehuis op hun schiereiland, maar dat gewoon zakendoen in 'arm Afrika' nog altijd een brug te ver is.