logo
Home
Lezerspanel
Nieuws
Columns
Weblogs
Commentaar
Artikelen
Abonneren
Losse verkoop
Agenda
Archief
Over onzeWereld
Adverteren
Laatste Reacties
Contact
Inschrijving Nieuwsbrief
Partners
Abonnementen Webshop Bladeren
 
 
Artikelen
door John Verhoeven

Sjouwen voor de toerist in Bhutan

 
Langs vijf nederzettingen in de Black Mountains van Bhutan loopt sinds kort de 'Nabji Trail', een zesdaagse tocht voor de actieve wandeltoerist. Het 'community based tourism project' wil de lokale boeren aan geld helpen als de oogst van het veld is. Je bagage wordt gedragen en je eten voor je gekookt. Wel even wennen; voor de toeristen maar meer nog voor de dorpelingen. 'Snoepjes uitdelen mag niet. En zij mogen niet bedelen.'

Elke morgen om vijf uur staat Kinley op van zijn slaapmatje op de aarden keukenvloer en terwijl hij zijn boeddhistische mantra's zachtjes voor zich uit zingt, verzamelt hij hout, stookt een vuur op, kookt water en begint met het maken van het ontbijt. Het is nog koud, amper vijf graden, en als het licht wordt, benemen de ochtendnevels het zicht op de hoge bergen en diepe dalen van Bhutan. We zitten midden in het natuurgebied Black Mountains, tweehonderd kilometer oostelijk van de hoofdstad Thimpu. De slingerende tweebaans asfaltweg die de enige verbinding vormt met de bewoonde wereld, is ver weg. Tijdens deze zesdaagse wandeling langs de zopas geopende Nabji Trail zullen we de verharde weg drie dagen niet eens kunnen zien liggen.


Kinley kookt elke dag voor ons, een groepje Nederlandse wandelaars dat in zes dagen over de Nabji Trail loopt, een rotsig bergpad dat de enige verbinding vormt tussen de dorpsgemeenschappen van Nimshong, Nabji, Korphu, Kudra en Jangbi. De Nederlandse reisorganisatie Sawadee is de eerste en tot dusver enige reisorganisatie die de ruim 47 kilometer klauteren over de soms vervaarlijk steile bergpaadjes heeft opgenomen in haar reisgids, als onderdeel van een drieweekse wandelvakantie. Bhutan wordt niet bepaald overlopen door toeristen: in 2006 zullen ongeveer tienduizend toeristen het kleine boeddhistische Himalaya-koninkrijkje pal onder Tibet en net boven India bezoeken. Volgend jaar zijn dat er misschien wel twaalfduizend. Zolang de toeristen allemaal 200 dollar per persoon per dag moeten betalen om dit land te bezoeken, zal dat cijfer niet snel stijgen.

Kinley's aanwezigheid is pure luxe, begrijp ik van mijn medewandelaars. Elke ochtend een warme kop thee of (oplos)koffie, en een bakje warm water om je op te frissen, daarna een stevig ontbijt, met toast, jam, honing, en een bakje warme porridge, dikke pap, terwijl anderen de tentjes inpakken. Bij een normale trekking heb je dat niet. Echte wandelaarskost is het, precies wat we nodig hebben om de komende vier, vijf uur over rotsige bergpaden naar onze volgende 'camping' te lopen. Het is een pittige tocht, althans voor de onervaren wandelaar die ik ben. Voor de anderen, allemaal door de wol geverfde 'trekkers' die elk jaar weer de uitdaging van meerdaagse trektochten door onherbergzame gebieden zoeken, is het prima te doen. Ik hoor in die dagen niemand klagen over blaren. Pittig door het vele klauteren en afdalen op smalle paadjes, maar goed te doen omdat we tussen de 1000 en 1600 meter hoogte lopen, in de maagdelijke, tropische bossen en langs schaarse nederzettingen in het natuurpark. Gelukkig regent het al die dagen niet, anders was het ook voor de ervaren 'trekkers' een loodzware tocht geworden over spekgladde paadjes langs diepe afgronden. Onderweg komen we bewoners tegen: het gezin dat hun hele huisraad op de rug heeft gebonden, de boer die met een plunjezak vol kookgerei na een week werken op zijn rijstveldjes weer naar huis loopt, en de schoolkinderen die, de boeken bijeen gebonden op de rug, proberen nog voor de vroeg invallende duisternis thuis te zijn. Wie hier een been breekt moet minstens een paar uur op de rug van een paardje naar de dichtstbijzijnde medische post worden getransporteerd. Opletten dus maar, met die spekgladde stenen.

 

Ontmoetingsritueel

Elke dag vormen enkele gidsen, de keukenploeg van Kinley, en een stuk of tien dragers met evenzovele paardjes, een kleine karavaan van de ene pleisterplaats langs de Nabji Trail naar de volgende. Er zijn zes eenvoudige campings aangelegd, met geld van de regering en de UNDP, begrijp ik later van Nanda Ritsma in Thimpu. Haar werkgever, de Nederlandse hulporganisatie SNV, betaalde mee aan het onderzoek dat in 2004 de aanzet vormde van dit kleinschalige toeristische project, bedoeld om de boeren buiten het oogstseizoen aan extra inkomsten te helpen. Daarna verleende SNV vooral technische assistentie, legt Nanda uit. En zo heeft elke overnachtingsplaats langs de route een vaste inrichting: een gloednieuw getimmerde, vierkante verblijfsruimte met open wanden, dak en bankjes, een soort kiosk. Er is sanitair (maar zonder stromend water), en zijn vlakgemaakte stukken terrein waarop een half dozijn tenten kunnen worden neergezet, en er staat een keukengebouwtje, met muren van leem, en met aarden bodem, het domein van Kinley. Elke camping hoort bij een dorpje, waarvan de bewoners zich aanbieden als drager, met of zonder paard, als lokale gids, of als kokshulpje.

 

Daar wordt aan het einde van de dag gekookt voor de gearriveerde groep wandelaars en de dragers en gidsen, en daar klonteren 's avonds als het na vijf uur 's middags al aardedonker is geworden, de nieuwsgierige maar aartsverlegen dorpelingen bijeen om de vreemde gasten van een afstandje gade te slaan. Als het eten op is en de kou alleen aan het open vuur nog enigszins op afstand is te houden, komen de vrouwen uit het dorp zich voorstellen. Altijd hebben ze 'ara' bij zich, zelfgestookte rijstwijn, in oude flessen of in kleine jerrycans waarin ooit motorolie moet hebben gezeten. De 'ara', die telkens weer anders smaakt, is een vast onderdeel van het ontmoetingsritueel, waarbij wij afwachtend in onze, door de dragers meegesjouwde opvouwbare campingstoeltjes zijn gezakt en nieuwsgierig kijken naar de vrouwen, hun kinderen en, op veilige afstand, de mannen die bij het vuur van de keuken neerhurken. De vrouwen komen om te dansen en te zingen, in een kring om het vuur, monotoon maar indringend, mantra's van verlangen, van liefde en geloof.

 

Kou en vermoeidheid drijven ons dan, vaak al om een uur of half negen, onze tentjes in. 's Ochtends worden we gewekt met thee en een bakje warm water. Terwijl we ons aankleden is het ontbijt al in de maak. Elke dag rond het middaguur lopen we de koksploeg tegen het lijf, die ons opwacht met een warme lunch van rijst, groenten en wat vlees. In de namiddag lopen voor en achter ons degenen die ons straks weer een maaltijd gaan bezorgen, die onze tentjes opzetten. En ze dragen onze tassen, verbijsterd, op de eerste dag, over de enorme hoeveelheid spullen die wij kennelijk niet kunnen missen op deze zesdaagse. Of ze hebben daar paardjes voor. Intussen dragen wij alleen een rugzakje met wat noodzakelijke dagelijkse dingen. Vermoeiend genoeg, want elke dag arriveren we drijfnat van het zweet bij de volgende overnachtingsplaats.

 

Onze spullen op hun rug

We laten ons de luxe graag aanleunen, want elke dag vier, vijf uur stevig klauteren is, voor mij althans, uitdagend genoeg. Toch laat het niemand onberoerd als we zien hoe 's morgens de dragers zich ontfermen over onze bagage. Ze komen uit de dorpjes aan de trail, dat is immers het idee achter dit project: laat de lokale mensen iets verdienen aan de toeristen. Dus we betalen graag voor de dansgroepjes die 's avonds aan het vuur komen, en we betalen graag voor de meegebrachte zelfgestookte rijstwijn, al is die niet altijd even lekker. Maar geven we wel genoeg aan de mensen die de hele dag met onze tassen lopen te sjouwen? Iedereen weet hoe zwaar zijn eigen tas is, en niemand is onaangedaan bij de aanblik van een meisje, vrouw of oude man die een of twee tassen aan elkaar bindt en dat zware pak door een ander op de rug laat zakken. Elk dorpje regelt het op zijn eigen manier, maar twee dorpen zijn armer dan de rest. Dat zien we aan de schoolkinderen die ons aan het einde van de middag, als we de laatste kilometers naar de camping afleggen, op de bergpaadjes inhalen, de schoolboeken samengebonden op de rug, of die onderweg naar huis zo druk met elkaar aan het ravotten zijn dat wij hen kunnen inhalen. Fris gewassen en gekamd, levendig en gezond, zo op het oog. En geen spoor van de slechte huid door vitaminegebrek, de vervuiling en verwaarlozing van de kinderen die je in aangrenzende landen als India en vooral Nepal nog zo vaak ziet. Als kinderen schoenen dragen, hebben hun ouders geld, zoals in Korphu. Maar meestal zien we kinderen blootsvoets naar school lopen, een tocht van soms wel anderhalf uur.

 

En als de schoenen ontbreken, is er ook geen geld voor paardjes. Dan dragen de mensen zelf onze spullen op hun rug, blootsvoets of op goedkope plastic slippers, het hele eind, de hele dag, zoals de mensen van Kudra, een van de pleisterplaatsen langs de trail.

 

Selfsupporting

In deze rurale, autarkische samenleving die volledig op zichzelf is aangewezen, zonder elektriciteit maar wel met schoon, helder water uit de vele bergbeekjes die vanaf de Himalaya naar beneden stromen, leven de mensen van het land, en bestaat ruilhandel. 'Selfsupporting' is ook het woord waarmee de dorpsoudste van Nabji, de 41-jarige Changala, vader van vijf kinderen, de situatie in zijn dorp omschrijft. Self-supporting betekent hier: niet straatarm. De mensen hebben alles wat ze nodig hebben om te overleven, zeker in een land waar het onderwijs en de gezondheidszorg gratis zijn.

 

Dit is een vrijwel geldloze economie, en dat verklaart waarom de mensen hier gemiddeld met minder dan een dollar per dag aan inkomsten toch een redelijk gezonde en welvarende indruk kunnen maken. Toch willen ze allemaal graag voor het bedrag van 150 nguldrum, omgerekend iets meer dan drie dollar, de hele dag onze spullen sjouwen, of, voor het dubbele bedrag, hun paardje met vijftig kilo beladen en er zelf naast lopen.

 

'Sjouwen', zegt secretaris Sonam Dorji van de Bhutaanse organisatie van touroperators later die week, als ik hem in Thimpu spreek, 'dat was het eerste waar de mensen aan dachten toen ze hoorden van dit project'. Het kwam niet in ze op dat je voor toeristen nog andere dingen kunt doen. Dat moeten we ze nog leren. Zijn jullie wel bij mensen in huis geweest?' vraagt hij. 'Nee? Jammer, dat zal volgend jaar anders zijn. Het gaat erom dat ze zelf bedenken wat er voor de toeristen interessant is. Zoals bij iemand in huis kijken hoe de mensen leven. Zien hoe die ara wordt gemaakt. Je drinkt het de hele week, maar niemand komt op het idee om je te laten zien hoe je het maakt. Hij noemt nog wat dingen op waar toekomstige bezoekers aan de trail zich op mogen verheugen. Mee het veld in om rijst te snijden. Brood bakken. Thee drinken bij mensen thuis. Meedoen met de lokale sportactiviteiten. De community moet nog leren wat die toeristen van hen willen. Hij had het ons al eerder gezegd: je zult mensen tegenkomen die nog nooit een buitenlander hebben gezien. Logisch dat ze niet weten wat die vreemdeling van ze wil. Het verklaart ook waarom de overheid de prijzen voor bijvoorbeeld de camping, de dansers, dragers, lokale gidsen en de kok, heeft vastgesteld: om te voorkomen dat de dorpelingen het onderling aan de stok krijgen en met elkaar de concurrentie aangaan voor het geld van de vreemdeling. Alle campingprijzen en tien procent van alle andere inkomsten gaan in een speciale pot voor lokaal Community Development. De dorpelingen mogen zelf uitmaken waar dat geld aan wordt besteed. 'Elektriciteit', hoopt Sonam, 'dan hoeven ze niet meer zoveel hout te stoken'. Wij mogen ook geen snoepjes uitdelen, trouwens. En zij mogen niet bedelen.

 

De opzet van het project is dus dat je als toerist geld brengt naar een geïsoleerde boerensamenleving waar veel, maar niet alles, zonder geld te koop is. Dat klinkt prima. Maar de praktijk is dat je voor drie euro iemand een hele dag je tas van twintig kilo laat sjouwen over bergpaden waar je zelf soms ternauwernood heelhuids overheen komt, terwijl je probeert geen acht te slaan op de afgrond die op een enkele meter van het pad een diepte bereikt van soms wel achthonderd meter. De mensen die vandaag onze bagage dragen zullen over een paar jaar, als deze trail vaker is bezocht, misschien geld genoeg hebben gespaard voor de aanschaf van een paardje, legt Sonam Dorji mij later uit in Thimpu, als ik de balans probeer op te maken.

 

Het gesjouw met alle keukenspullen is natuurlijk ook vreemd, vindt ook Merijn Huijzendveld van Sawadee, die als gids mee is. De keukentjes bij de campings kunnen permanent worden voorzien van de noodzakelijke kookspullen, inclusief de butagasflessen die nu nog door dragers in rieten manden op de rug worden meegezeuld. Dat geldt ook voor de campingstoeltjes en de tenten. Uiteindelijk kan de dragerskaravaan dan een stuk kleiner worden. Maar of de mensen daar zo blij mee zullen zijn?

Dit eerste jaar zullen ongeveer honderd toeristen de trail lopen, vermoedt Nanda Ritsma van SNV. En misschien volgend jaar wel driehonderd. Als de Nabji Trail, of de Black Mountains Trail, een succes wordt, verzekert Sonam Dorji me, zal het idee van zo'n wandeltocht langs nederzettingen op de beboste hellingen van Bhutan ook op andere plaatsen in het land worden ingevoerd. Het geeft de boeren een aardige extra bron van inkomsten, zo buiten het seizoen.

 

Kinderen sponsoren

De confrontatie met deze arme, lieve, verlegen en zorgzame mensen prikkelt twee wandelaars in mijn groep tot actie. Als we bij ons vertrek uit Nabji worden uitgezwaaid en toegezongen door de kinderklas van het dorp, nodigt Sonam Dorji ons uit zijn goede voorbeeld te volgen. Voor vijftig euro per jaar sponsort hij enkele kinderen op de middelbare school in het stadje Trongsa, op een dag reizen hiervandaan. Zonder geld zouden ze gedwongen blijven tot een leven in het dorpje, op de boerderij. Sponsoring, dat lijkt de Nederlanders wel wat. Of ze dan nu maar meteen het kind willen aanwijzen dat met hun steun mag verder studeren?, vraagt de hoofdonderwijzer. Dat is, in het aangezicht van al die kinderen, een brug te ver. Niemand wil één kind aanwijzen en daarmee de rest afwijzen. 'Door hier te zijn als toerist doe je ook al een boel voor de gemeenschap', zegt Merijn van Sawadee nog maar eens. Na wat heen en weer gepraat valt het besluit van een eenmalige gift aan het schooltje. Daar hebben alle kinderen tenminste wat aan, het is overzichtelijk en je bent meteen klaar. De hoofdonderwijzer tovert een verlanglijstje tevoorschijn van spulletjes die de school goed kan gebruiken. De lijst gaat mee in de wandelrugzak.

 

Op de laatste avond, in de houten kiosk met bankjes van Jangbi, willen we een feestje vieren. Maar er is geen drank. We vragen twee dragers of ze nog energie over hebben voor een extra klusje. Willen ze voor drie euro de man naar de handelspost van Tongtongphey om het sterke HIT-bier en een fles whisky te halen? Hun gezichten klaren op: voor 300 nguldrum, twee daglonen, willen ze best in drie uur op en neer.

 

De volgende ochtend maakt Kinley zijn laatste ontbijt, een feestelijke dis ten afscheid: gebakken patatjes, omelet, toast, thee, koffie. Hij blijkt chefkok te zijn van het Wangchuk Hotel in de hoofdstad. Ik vraag hem waarom hij zich een week lang de ontberingen van geen stromend water, elektriciteit en de beschutting van een huis tegen de gure wind en optrekkende nachtelijke kou heeft laten welgevallen. In het hotel verdient hij 3000 nguldrum, zo'n 60 dollar, per maand. Niet gek, maar in deze ene week haalt hij 2000 nguldrum binnen, 40 dollar. Daar komen onze fooien dan nog bij.

 

Als ik twee dagen later vanuit Trongsa in een auto over een slingerende tweebaans asfaltweg naar Thimpu vertrek, een rit van minstens acht uur, kan ik eindelijk mijn rekensommetje maken. Hoeveel hebben deze mensen aan mij verdiend? De overnachtingen (3 euro per nacht, maal vijf), de vergoedingen voor de koks (3 euro per dag), dragers (idem), gidsen (idem), twee keer een openluchtbad met gloeiend hete stenen in Nabji (2 euro per keer, is 4 euro), twee avonden dansende en zingende dames bij het vuur (3 euro de man, is 6 euro). En natuurlijk de fooien: Merijn heeft de pot beheerd en ik lap mijn deel van de fooienpot: 50 euro. Ik kom uit op een 120 euro. Daar hebben heel wat mensen voor gesjouwd, gekookt, gegidst en gezongen. En dat maal 100, in 2006. Volgend jaar misschien wel: maal 300.

Als we Trongsa achter ons hebben liggen moeten we nog even langs bij de parkmanager van de Black Mountains. Daar laden we de dozen uit die straks met twee paardjes naar de school van Nabji zullen worden gebracht. Vier dozen, met twintig kilo schriften, pennen, tandpasta, tandenborstels, plastic slippers, nagelknippers, schooltassen, sokken, zeep, borden, mokken, muskietennetten, spelletjes, scharen, meetlatjes en gekleurd papier.

De Nederlandse reisorganisatie Sawadee is de enige ter wereld die deze trail heeft opgenomen in haar reguliere programma. De Nabji Trail maakt onderdeel uit van een wandelreis van 24 dagen in Bhutan. Meer informatie: www.sawadee.nl. Voor achtergrondinformatie over de trail, zie: http://www.snv.org.bt/cases/nabjitrial.pdf.

 

 

© onzeWereld Media februari 2007

tagging: Azie en Pacific , Economie , Bhutan , Toerisme , reizen

Reacties:


Reageer:

Van:
E-mail: * Emailadres wordt niet getoond op website
Titel:
Bericht:
Security image. You must enable images to submit entry Vul in wat u ziet:
(Gevoelig voor hoofd en klein letters)

Terug naar het tijdschrift