De afgelopen zeventien jaar heeft Tineke Ceelen, directeur van Stichting Vluchteling, zich beziggehouden met noodhulp, wederopbouw en ontwikkelingswerk. Voor al deze hulpsoorten geldt: het is mensenwerk. Met alle mogelijke dilemma's, pijnlijke keuzes en hilarische oplossingen die daarbij horen. Ceelen schreef het boek Hier en daar een crisis om inzicht te geven in die dilemma's. In deze voorpublicatie vertelt ze het verhaal van vluchtelingen in Congo.
Ik ben gistermiddag aangekomen in de Democratische Republiek Congo. Goma en omgeving zijn al wekenlang het toneel van een heftige strijd tussen verschillende gewapende groepen. Tienduizenden Congolezen zijn voor de zoveelste keer op de vlucht voor het geweld.
Mijn enthousiasme hierheen te reizen was niet indrukwekkend. De zesde reis in een kalenderjaar, de koffer van de vorige trip naar een ander oorlogsgebied nog maar net uitgepakt.
Een reis naar Congo is gevaarlijk en allesbehalve comfortabel. Met noodhulpmedewerker en logistiek wonder Eric vloog ik gisteren van Schiphol naar Oeganda. De aansluitende vlucht naar Rwanda had eigenlijk al vertrokken moeten zijn maar wachtte op ons, het resultaat van Erics onnavolgbare gave dit soort problemen al smoezend en grappend op te lossen. Rennend over de landingsbaan van Entebbe haalden we het kleine toestel dat ons naar de Rwandese hoofdstad bracht. Vanochtend reden we naar de grens met Congo.
Eric en ik zijn in Congo om met de vluchtelingen te praten en de noodhulpoperatie van irc (International Rescue Committee, red.) te bezoeken. Met de hulpverleners van irc rijden we naar Kibati, twintig minuten van ons hotel in Goma. Hier zijn de afgelopen dagen tienduizenden vluchtelingen aangekomen. Op een steenworp afstand ligt de vijandelijke linie, waar de mannen van rebellenleider Laurent Nkunda zich verschansen.
We bezoeken een kliniekje. Honderden wachtende moeders met kleine kinderen. Ze spreken over honger, ondervoeding, kou. Tijdens de rondleiding sta ik ineens naast een barende vrouw. Vluchtelingen hebben niks meer, dus ook geen privacy. Ik loop gegeneerd snel door terwijl onze gidsen absoluut geen haast maken.
Even neem ik de helft van een meisjestweeling van een tienermoeder over. Ze vertelt dat haar leven bestaat uit vluchten: als klein kind met haar ouders vanuit Rwanda naar Congo, en nu met haar pas geboren kinderen. Terwijl ik met haar praat worden op de achtergrond tenten opgezet voor het oplopende aantal cholerapatiënten. 'Gelukkig is de cholera die hier heerst niet de meest dodelijke in zijn soort', zegt een hulpverlener.
In de rij voor brandhout
Een paar honderd meter verderop is irc ondertussen gestart met de distributie van brandhout. Gisteren kregen de vluchtelingen voor het eerst sinds enkele weken weer voedsel, maar zonder brandstof kunnen ze dat eten nog altijd niet klaarmaken. De verdeling verloopt opmerkelijk georganiseerd en rustig, terwijl de vluchtelingen al uren in de rij staan. Twee mannen denken even na, als ik hun vraag wanneer ze voor het laatst gegeten hebben. Ze komen uit de omgeving van Rutshuru, waar de manschappen van Nkunda en de soldaten van het Congolese leger in een heftig gevecht verwikkeld zijn.
Nkunda, een Tutsi, vindt dat het Congolese leger te weinig doet tegen de Hutu-leiders, schuldig aan de volkerenmoord in Rwanda, die zich schuilhouden in de Congolese bossen. Nkunda bestrijdt de Hutu-milities, de Hutu-milities bestrijden Nkunda. Het Congolese leger bevecht beide. En dan zijn er ook nog de Mai Mai, milities die het leger steunen. Niemand houdt zich aan de meest elementaire regels van het humanitaire oorlogsrecht. De gruwelen die de strijdende partijen begaan, gaan elk menselijk voorstellingsvermogen te boven.
'Nou, Eric, kijk nou dan toch Eric. Wat doen ze?' Verbaasd kijk ik om me heen.
De lange, keurig opgestelde rijen wachtende vluchtelingen breken open. In de verte mitrailleurvuur en een harde knal. Ik hoor het, registreer het, maar ik voel en doe niets. Het gebeurt snel, razendsnel. Mijn hoofd kan het allemaal niet bevatten. Waar ik ook kijk zie ik rennende mensen. Massa's stuiven uiteen, alle kanten op.
Een achtergelaten kind gilt om zijn moeder, terwijl een oude vrouw verdwaasd om zich heen kijkt. Een paar opgeschoten jochies zien hun kans schoon en doen een aanval op de stapel brandhout. De paar westerse hulpverleners die kalm gebleven zijn, jagen de jongeren weg.
Mijn telefoon rinkelt. Ik krijg instructies van Daniëlle, de Nederlandse baas van het irc-noodhulpprogramma in Goma, om onmiddellijk in de auto te stappen en van Kibati terug te keren naar Goma. Er wordt gevochten in de heuvels, op een paar honderd meter van het vluchtelingenkamp. Wat er precies aan de hand is weten we niet.
Onze auto baant zich traag een weg door de duizenden mensen. 'Ze rennen', zeg ik geheel overbodig tegen Eric, 'ze rennen.' Duizenden rennende mensen, tienduizenden volgens Eric. De angst en wanhoop zijn bijna tastbaar. Het hoofd van een klein kind, achter op de rug van zijn moeder gebonden, schudt mee op de deining van haar heupen, terwijl de vrouw zo snel ze kan richting Goma loopt, nog kilometers verderop.
Kinderen. Stokoude mensen. Vluchtelingen die proberen om de bundel brandhout die ze net gekregen hebben mee te nemen, of die halve zak meel van de voedseldistributie van gisteren. Dat kind! Dat kind daar aan de kant van de weg! Ik zie geen volwassene die zich om de peuter bekommert. 'Stop!' schreeuwt het in mijn hoofd terwijl ik niets doe en zelfs niets zeg over de kleine alleen achtergebleven dreumes.
Ongedisciplineerde soldaten
De militairen van het Congolese leger trekken in tegengestelde richting, landinwaarts, naar het geweld toe. Ze zijn behangen met zware kettingen, kogels, granaatwerpers, forse mitrailleurs. De soldaten maken een slecht verzorgde en ongedisciplineerde indruk. De portieren van onze auto zitten op slot, maar ik besef drommels goed dat dat geen enkele garantie geeft op ook maar enige veiligheid. We kunnen alleen maar hopen dat de militairen niet bedenken dat ze met onze auto heel veel sneller op de plek van bestemming zijn.
Terwijl we voetje voor voetje verder rijden richting Goma, word ik gebeld door bnr Nieuwsradio. Nog in shock vertel ik de dame aan de telefoon wat ik zie. Ze vraagt me of er doden gevallen zijn die ochtend. Geïrriteerd reageer ik dat ik geen idee heb. Het was eigenlijk helemaal niet bij me op gekomen dat er ook nog wel eens doden gevallen zouden kunnen zijn. Er werd geschoten, er was veel paniek. Dus ja, er kunnen doden gevallen zijn, realiseer ik me plotsklaps. Ja, dat kan zomaar ook nog het geval zijn.
Als we Goma naderen zien we dat het Congolese leger de weg naar Goma heeft afgesloten voor de vluchtelingen. Wij mogen met de auto door, zij, rennend voor hun leven, zij niet.
Op het kantoor van onze partnerorganisatie is een stafbijeenkomst gaande. De lokale medewerkers, ongerust en bang voor de veiligheid van hun gezinnen, mogen naar huis.
Wij worden naar ons hotel gebracht en krijgen de opdracht te blijven waar we zijn en ons vooral niet buiten de muren van ons hotel te begeven. In de korte tijd dat wij buiten waren, is ons onderkomen veranderd in een ware vesting. Een mitrailleur met de omvang van een middeleeuws scheepskanon staat recht voor de deur van het hotel opgesteld, en in de tuinen, net als op het terras, lopen Congolese militairen met hun geweer te zwaaien. 'Er zit een of andere generaal in jullie hotel', legt Daniëlle uit, alsof dat ons geruststelt.
Op het terras van het hotel vertelt een buurman dat de paniek van vanmiddag een ongelukkig misverstand was: het geweer van een rebel ging per ongeluk af, het Congolese leger schoot onmiddellijk terug. Iemand anders heeft een geheel andere verklaring: 'Nkunda en zijn mannen staan op het punt Goma in te nemen. Vandaag', verwacht de man stellig, 'vandaag zal dat gaan gebeuren.' Daniëlle belt. We krijgen de opdracht onze koffers te pakken. Samen met vier andere buitenlandse medewerkers van irc, worden we net voordat de grenspost met Rwanda dichtgaat, de grens overgezet. Daniëlle en twee andere medewerkers die niet gemist kunnen worden, blijven in Goma achter. Alles bij elkaar waren we een krappe dertig uur in Congo.