Ontwikkelingshulp moet radicaal op de schop, zo stelt
de WRR in haar recente rapport. Een nieuwe overkoepelende
organisatie, NLAID, moet vanuit de overheid de
hulp aansturen. We beperken ons nog tot hoogstens tien
landen. Specialisatie, kennisopbouw en lange termijn
zijn de sleutelwoorden. 'Hulp is nu als schieten met confetti.
Goed bedoeld, zelden in de roos.'
Wat hebben we de wereld te bieden? Wat willen wij van de wereld? Hoe willen we ons verhouden tot de wereld? 'Nederland is al een jaar of tien in verwarring over dit soort fundamentele vragen', zegt Peter van Lieshout, lid van de WRR en leider van de projectgroep die het rapport 'Minder pretentie, meer ambitie' over de toekomst van de hulp opstelde. 'Het debat over de toekomst van hulp is de laatste tijd vooral een uitwisseling van sweeping statements. Hulp helpt. Nee, niet! Afrika is verloren! Hulp maakt dingen kapot. Enzovoort. Er is behoefte aan een volgende fase, het debat moet specifieker. Hulporganisaties en overheden in de hele wereld denken na over de toekomst van hulp. Daar spelen we op in.'
Wat moet weg en wat moet er blijven? Zo simpel heeft de WRR haar taak niet opgevat. Al worden in het rapport duidelijke conclusies getrokken. Zoals deze: ontwikkeling, niet armoedebestrijding, moet weer centraal komen te staan. Om te bepalen welke landen welke hulp nodig hebben, is betere diagnostiek nodig. Dat vergt beter onderzoek, meer kennis, dus meer geld en aandacht voor research en evaluatie. Kortom: de hele sector moet een 'lerend systeem' worden. Om dat systeem te bouwen zijn nieuwe kenniscentra nodig, onder meer in Afrika en Azië. Om de meeste toegevoegde waarde te geven aan onze hulpeuro, is specialisatie nodig. Een thema zou bijvoorbeeld kunnen zijn: waterbeheer. Of, een andere suggestie van de WRR: samenlevingsopbouw. Burgers helpen bij het organiseren van een eerlijke, open samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft. Dat zijn langdurige en complexe processen, die je niet in een jaar of twee, drie kunt realiseren. Dus moet je intensief en langdurig betrokken zijn bij een land. Dus moet het aantal landen waarin Nederland actief is, niet hoger zijn dan tien, in plaats van de huidige 36. Met een nadruk op Afrika. Om dit alles in goede banen te leiden is een nieuwe organisatie nodig, die vanuit één punt aanstuurt: een overkoepelende 'NLAID', naar het voorbeeld van andere grote hulplanden, zoals Groot-Brittannië. Onze eigen 'NLAID' zou direct onder het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking moeten vallen. Met eigen kantoren in alle landen waar we actief zijn.
We zaten daar al
Deze opzet, kort samengevat uit het rapport, zou een aardverschuiving teweegbrengen. Wat is dan het probleem met de huidige aanpak? 'De grootste bottleneck is het gebrek aan lef en ruimte om keuzes te maken', zegt Peter van Lieshout. 'Er gebeurt nu zoveel, op zoveel verschillende plaatsen in de wereld. We kunnen nu altijd zeggen dat 'we al iets doen'. Maar als je dan doorvraagt naar het waarom van die keuzes, is er heel weinig tekst. Waarom denk je dat je activiteit de grootste toegevoegde waarde heeft, afgezet tegen alle andere dingen die je met je geld zou kunnen doen? Meestal komen ze niet verder dan: 'we zaten daar al.' 'Dat geldt trouwens ook voor veel bedragen die jaarlijks naar multinationale organisaties gaan', zegt Robert Went, de coördinator van het project. 'Dat gaat om wel honderd organisaties, waarvan niet te achterhalen is waarom ze krijgen wat ze krijgen. Dat is kennelijk ooit zo besloten en gaat gewoon maar door.'
'Ach, alles is natuurlijk altijd wel een béétje nuttig', zegt Van Lieshout, met lichte ironie. 'Een irrigatieproject in Sri Lanka, emancipatie van meisjes op het platteland van Tsjaad... In het enorme palet van mogelijkheden om een betere wereld te maken, moet je proberen goede keuzes te maken: waarom het ene wel en het andere niet? Waar kun je je geld het beste aan besteden? Dat is niet simpel, maar we zouden er wel bewuster mee kunnen omgaan dan tot op heden.'
In het rapport wordt een Amerikaanse deskundige gevraagd naar zijn mening over hoe hulp in het algemeen is georganiseerd. Hij zegt: 'Als militaire interventies plaatsvonden zoals ontwikkelingshulp georganiseerd is, zou de opdracht vanuit het Pentagon luiden: 'Go and shoot some Iraqi's!'. Een rake observatie, menen Van Lieshout en Went. 'Ontwikkelingshulp is nu vergelijkbaar met een schot confetti: goed bedoeld maar zelden in de roos.'
'Natuurlijk is er nu ook wel kennis en vakmanschap voorhanden', nuanceert Van Lieshout. 'Maar dat is toch iets anders dan het systematisch inrichten van een kennissysteem en een focus op een beperkte setting van landen waar we dan ook echt duidelijk merkbaar aanwezig zijn. En waarvoor we een goede systematiek van rapporteren ontwikkelen zodat we naar buiten toe duidelijk kunnen laten zien wat we in die tien jaar tijd nou eigenlijk precies hebben bereikt.' Want, merkten ze tot hun eigen lichte verbazing, zoiets eenvoudigs als een jaarlijks landenrapport, met de stand van zaken op het terrein van al die hulp, bestaat nu niet.
Bijl aan de 0,8
Een NLAID kan daar structuur en strategie in aanbrengen. Van Lieshout noemt het voorbeeld van de Noren, die zichzelf heel nadrukkelijk de vraag hebben gesteld: waar ligt het belang van Noorwegen in de wereld? 'Dat hoeven echt niet alleen maar economische belangen te zijn, het kan ook het belang van kennisoverdracht klimaat zijn, klimaat, energie, gezondheid, of veiligheid. De Noren hebben die discussie vervolgens teruggebracht tot de vraag: en wat betekent dit dan voor onze ontwikkelingshulp? Die vraag is in Nederland nog nauwelijks gesteld.' Noem het een globaliseringsagenda. 'Dan zouden we onze mondiale rol beter kunnen definiëren en er ook actiever mee kunnen omgaan.'
In een brede kijk op de rol van Nederland in de wereld is 'hulp' slechts een klein onderdeel van het geheel, constateren Van Lieshout en Went. Nederland levert nu al op heel diverse fronten een bijdrage aan 'mondiale ontwikkeling', een term die van de WRR het oude begrip 'ontwikkelingshulp' moet gaan vervangen. Daarmee zet de WRR meteen ook de bijl aan het aloude adagium van de 0,8 procent van het nationale inkomen, dat jaarlijks wordt besteed aan 'ontwikkelingshulp'. Het percentage is geen goed instrument meer om onze nationale bijdrage aan een betere wereld af te bakenen. 'We zouden een nieuwe maatstaf moeten gebruiken', zegt Went. 'Eentje waarin niet alleen het kale hulpgeld, maar ook bijvoorbeeld de inzet voor klimaat, kennisoverdracht, economische impulsen, veiligheid en dergelijke worden meegewogen.' Er zijn hier en daar al voorstellen gedaan voor alternatieve maatstaven, die het brede perspectief hanteren. Alles bij elkaar opgeteld zou Nederland weer de innovatieve kracht kunnen worden in 'ontwikkeling', die het ooit was.
Geen goed kennisbeleid
'NLAID moet je vooral zien als een constructie, een organisatievorm', zegt Peter van Lieshout, 'Het is de consequentie van de gedachte dat je ergens langdurig in een land aanwezig wilt zijn, structureel, intensief, en op basis van je toegevoegde waarde. De rode draad in ons verhaal, en misschien wel de belangrijkste conclusie, is dat we nu geen goed kennisbeleid hebben. Dat is de afgelopen tien jaar ernstig verwaarloosd. We hebben hier een professionaliseringsslag gemist. De hulporganisaties hebben ook niet meer de hevige aandrang om veel informatie en kennis met elkaar te delen. Dat is het grootste gemis van de structuur die we nu hebben'.
Van Lieshout en Went kijken graag naar het Britse voorbeeld. 'Je moet die kennis aan de achterkant organiseren. We hebben in Nederland bijna geen stevige kennisinstituten, zoals de ODI (Overseas Development Institute) in Groot-Brittannië. Ook als je kijkt naar de publicaties die we voor dit rapport hebben gelezen,dan zijn het bijna allemaal auteurs uit de VS en Engeland, en deels uit Duitsland.'
Het Britse departement voor ontwikkeling DFID zet haar kennis en voornemens op de website, laat daar iedereen op reageren, en maakt dan keuzes, zegt Went. 'Ze vertellen precies wat ze in een bepaald land gaan doen en wat dit moet opleveren voor de mensen daar.' Zo zou het hier ook moeten, vinden ze eendrachtig.
Dicht op de samenleving
Het unieke van Nederland is dat de overheid hier een groot deel van haar budget laat besteden door maatschappelijke organisaties als Oxfam Novib, ICCO, Cordaid en Hivos, die daar vervolgens naar eigen inzichten hulp mee bedrijven. Wat gaat daar dan mis?
'Allereerst stuurt de overheid op beheer in plaats van op inhoud. Daarnaast is bij organisaties zelf te weinig deskundigheid geprofileerd. Die organisaties hebben een sterke band met lokale organisaties. Nederland heeft altijd veel waarde gehecht aan de civil society. Dat is echt een sterk punt, en iets waarmee Nederland zich in haar hulpbeleid zou moeten profileren, denken wij. Maar doen we dat nu? Waar is die deskundigheid terug te vinden? Heeft die deskundigheid geleid tot nieuwe inzichten die het internationale debat verder hebben geholpen? Als je op Google op zoek gaat naar de grote deskundigen op dit terrein, kom je dan bij een Nederlander uit? Nee. Helemaal niet zelfs. En dat is eigenlijk heel vreemd, gezien het gewicht dat we aan dit gebied hebben gegeven. Onze opvatting is: als dat nou een sterk punt van ons is, laten we dan ook proberen dat zichtbaar te maken voor anderen. Dat ontbreekt er nu aan.'
Dat betekent niet het einde van de traditionele hulporganisaties, al zal daar veel moeten veranderen als het aan de WRR ligt. 'Maatschappelijke organisaties moeten duidelijk kunnen maken dat ze toegevoegde waarde bieden. Ze moeten scherp gaan kiezen. De vraag doemt op waarom we nog via Nederlandse hulporganisaties zuidelijke organisaties subsidiëren. Waarom niet rechtstreeks? En nog zo'n vraag: waarom zou de Nederlandse overheid geld steken in Nederlandse hulporganisaties terwijl er misschien betere buitenlandse organisaties zijn? Neem Uruzgan, daar laten we het onderwijs ook over aan de GTZ, een Duitse club. Die zijn gewoon het beste geëquipeerd. '
Nu geeft de overheid nog geld aan een hulporganisatie in de hoop dat ze daar wat goeds mee doen, en dat is, volgens Van Lieshout, 'in toenemende mate problematisch'. Hij besluit: 'Dit model heeft zijn langste tijd gehad, wat er verder ook met ons rapport gebeurt.'