Diep teleurgesteld waren natuurorganisaties afgelopen maart na de zogeheten Cites conferentie in Qatar over de handel in bedreigde planten en diersoorten. Ondanks intensieve lobbycampagnes kregen zij de handel in de zwaar bedreigde blauwvintonijn en zeven haaiensoorten niet verboden. Visserijnaties lagen keihard dwars, van Canada en Rusland tot China, Libië en Japan.
Net als bij de klimaattop in Kopenhagen, eind 2009, legden westerse milieuvoorvechters het vooral af tegen immer zelfverzekerder opkomende economieën en ontwikkelingslanden. 'Nu moet het van de consumenten komen', concludeert woordvoerster Lonneke Bakker van het Wereldnatuurfonds (WNF). Aziatische en Afrikaanse politici hebben geen oor voor de westerse groenmoraal. Het WNF, een van de initiatiefnemers van het viskeurmerk MSC, gaat daarom de consument in die werelddelen opzoeken, vooral in China en Japan, want daar wordt de meeste vis gevangen en geconsumeerd.
Sinds 1996 kent de visserij het mondiale groenlabel MSC (van de Marine Stewardship Council). Het keurmerk is bedacht door het Wereldnatuurfonds en levensmiddelengigant Unilever, in navolging van het succesvolle FSC-certificaat (Forest Stewardship Council) voor 'goed' hout. Het MSC-label moet milieuverantwoorde visproducten garanderen: de betreffende populatie mag niet overbevist worden, ecologische neveneffecten moeten minimaal of positief zijn en het visserijbeheer ter plekke moet voldoen aan alle (inter)nationale 'duurzaamheids'-regelgeving. Het blauwe vignetje heeft andere vis-ecolabels inmiddels verdrongen. Momenteel zijn bijna zeventig 'visserijen' gecertificeerd, samen goed voor 7 procent van alle wilde vis voor directe menselijke consumptie.
Maar ook de MSC ontkomt niet aan kritiek. Gewoonlijk draait het om drie klachten: het certificeringssysteem zou gevoelig zijn voor politieke druk en gesjoemel. Bovendien is het ontoereikend als wapen tegen de massale overbevissing (en alle milieuschadelijke gevolgen van dien). En daarin speelt weer mee dat de veeleisende certificeringsprocedure kleine vissers(gemeenschappen) veelal buitensluit, dus concurrentievervalsend werkt.
Ecofraude
Net als andere keurmerkbeheerders laat de MSC aanvragende bedrijven doorlichten door commerciële certificeringsinstanties. Dat werkt fraude in de hand, vrezen critici als zeebioloog Trevor Ward van de University of Western Australia: groeiende concurrentiedruk brengt certificeerders in de verleiding om de aanvragers (die hun gage betalen) te bedienen met rooskleurige rapportages. Ook kunnen grote reders één vissoort 'duurzaam' vangen (en dus het keurmerk krijgen), terwijl het voor de overige activiteiten business as usual blijft.
Hoe vaak gaat het daadwerkelijk mis? Dat is omstreden. Greenpeace heeft uitgehaald naar het certificaat voor Alaska koolvis (jaaromzet 1 miljard dollar), aangezien dat bestand hard achteruit kachelt. Het certificeringsproces voor de eveneens gedecimeerde West-Canadese Fraser River Sockeye zalm is recentelijk zelfs bestempeld als 'ecofraude'. Die zalmvisserij is door de MSC 'technisch' in orde bevonden voor certificering. Onbegrijpelijk, vinden critici, want de overheid heeft juist een voorlopig vangstverbod afgekondigd.
Volgens zee-ecologen gaat het bestand aan Alaska koolvis en Sockeye zalm waarschijnlijk niet achteruit door overbevissing (een van de MSC-criteria), maar door verhoogde watertemperaturen als gevolg van de klimaatverandering.
'Om belangenverstrengeling te voorkomen, is de MSC helemaal losgemaakt van de initiatiefnemers', bezweert woordvoerster Nathalie Steins op het Nederlandse MSC-kantoor in Den Haag. 'We betrachten verregaande transparantie. Iedere vijf jaar vindt hercertificering plaats, met onafhankelijke arbiters. Ook de certificeerders worden onafhankelijk gecontroleerd, door een internationale toezichthouder.'
Lars Gulbrandsen, onderzoeker bij het Noorse Fridtjof Nansen Instituut, publiceerde vorig jaar een wereldomspannend literatuuronderzoek over de effectiviteit van het MSC-keurmerk. 'Er kleven onvermijdelijke beperkingen aan zo'n certificeringssysteem', zegt hij. 'Een eco-label blijkt als promotiemiddel vooral aantrekkelijk voor kapitaalkrachtige visserijbedrijven die opereren op de wereld-exportmarkt en die technisch toch al hoog ontwikkeld zijn. Voor hen is bijsturen om aan de MSC-eisen te voldoen relatief eenvoudig. De totale vangst wordt er niet zoveel minder om.'
Voor de vele kleine vissersgemeenschappen die vangen voor lokale, niet-westerse markten, meent Gulbrandsen, is er nauwelijks prikkel om aan certificering mee te doen. 'Ze kénnen de MSC niet eens. Tot nu toe is in ontwikkelingslanden maar een handvol certificaten uitgereikt.'
Dat is ook de MSC niet ontgaan. In 2007 is daarom een speciaal Developing World Fisheries Program opgezet. Vanuit het Londense MSC-hoofdkantoor vertelt programmamanager Oluyemisi Oloruntuyi wat er zoal moet gebeuren. 'Het ontbreekt vissersgemeenschappen behalve aan geld ook aan organisatiegraad, aan professionele lokale certificeerders, aan marktvraag naar duurzame vis en aan biologische gegevens over hun viswateren.'
Via workshops probeert de MSC zowel autoriteiten als vissers te doordringen van het belang van duurzaamheidsgaranties voor het voortbestaan van de visserij. De MSC ondersteunt vervolgens lokale initiatieven. 'Een effectief instrument is bijvoorbeeld coöperatievorming. De Mexicaanse kreeftvissers van Baja California hebben op die manier hun visserij gecertificeerd én weer winstgevend gekregen. De regering heeft ter ondersteuning zelfs betere wegen aangelegd.'
Waardevaste belegging
De MSC werkt ook aan flexibeler criteria voor visserijbeheer in gebieden waar het aan gedegen biologisch onderzoek ontbreekt. In plaats van harde gegevens, worden gestandaardiseerde schattingsmethoden geaccepteerd. De totale vangstcapaciteit is uitgangspunt voor het berekenen van het risico op ecologische schade. Op den duur hoopt Oloruntuyi plaatselijke investeerders, ontwikkelingsorganisaties en vakbonden te interesseren voor gecertificeerde visserij als waardevaste belegging.
Maar de Noorse onderzoeker Lars Gulbrandsen betwijfelt of dit alles voldoende is, zelfs in combinatie met andere traditionele beschermingsmaatregelen. 'Het manco van het MSC-label is de eenzijdigheid', legt Gulbrandsen uit. 'Het gaat over overbevissing, de vangstmethode en mariene ecosystemen. Om het niet te ingewikkeld te maken is voorlopig besloten de sociale kant van duurzaamheid (people, planet, profit) buiten de criteria te laten. Begrijpelijk, maar voor arme visserijstadjes mist het MSC-keur daardoor aantrekkingskracht.'
Oluyemisi Oloruntuyi van de MSC beaamt dat eerlijke handel, duurzame verwerking, dierenwelzijn, milieuaspecten van visserijvloten, vervuiling in vis, allemaal zaken zijn die buiten de criteria vallen. 'Maar een keurmerk is maar één instrument', reageert hij. 'Bovendien: criteria kunnen gaandeweg breder of scherper worden. En: juist een keurmerk voor één bedrijfsonderdeel kan scheepseigenaren prikkelen tot verdere verduurzaming.'
Vissersrace
Een steeds populairder instrument om overbevissing, ook in lokale vissersgemeenschappen, tegen te gaan, is de toekenning van 'verhandelbare visrechten' op afgebakende visgronden of voor populaties. Groot nadeel van deze vangstquota is dat tussen vissers een race ontstaat om binnen het totale quotum zoveel mogelijk zelf uit zee te halen. Laatkomers zetten illegaal alsnog hun netten uit, waarna de oogst op volle zee verpatst wordt, buiten het zicht van inspectiediensten.
Slimmer is om vooraf eerlijk de koek te verdelen. Iedere boot krijgt individuele visrechten, die aan collega's mogen worden doorverkocht. Vissers gaan zich zodoende opstellen als verantwoordelijke rentmeesters van 'hun' visstand. Tevens bieden vaststaande eigen aandelen bedrijfszekerheid, wat investeren in duurzaam materieel gemakkelijker maakt.
Gemeengoed zijn die verhandelbare visrechten (individually transferable quota, ITQ's) nog niet in niet-westerse landen. In Chili en Namibië zijn wel goede ervaringen opgedaan. In de Verenigde Staten, Canada, IJsland, Nieuw-Zeeland en Nederland (tong- en scholvisserij) wordt er al langer mee gewerkt.
In 2007 toonde een gedetailleerd onderzoek van een Amerikaanse milieubeschermingsorganisatie al aan hoe ITQ's tegelijkertijd niet alleen het milieu, de werkgelegenheid en de winstcijfers bevorderen, maar ook de kwaliteit van visproducten en de veiligheid aan boord. De milieuclub analyseerde tien Amerikaanse en Canadese voorbeelden. Door zorgvuldiger werken bleven vangsten (ruim) binnen de limiet, daalden bijvangsten met 40 procent, werd minder (en milieuveiliger) vistuig gebruikt en halveerde het aantal veiligheidsincidenten, terwijl de inkomsten per boot toch 80 procent hoger werden.
Maar ook deze ITQ's zijn geen wondermiddel. De bedreigde tonijn- en haaiensoorten bijvoorbeeld zijn zó lucratief dat graaigedrag waarschijnlijk onuitroeibaar blijft. Maar juist voor de minder commerciële vissoorten, waar lokale niet-westerse vissersgemeenschappen van leven, kan het een uitkomst zijn. Ook hier geldt, net als voor het MSC-keurmerk, dat de kleine vissersgemeenschappen én de visserij-inspecties zich goed zouden moeten organiseren om het tot een succes te maken. Hoe krijg je ze zover?
Het Developing World Fisheries Program van de MSC heeft een start gemaakt. Maar misschien moet het, zoals Lonneke Bakker van het Wereldnatuurfonds al zei, van de Aziatische en Afrikaanse consumenten zélf komen. Wanneer zij door krijgen dat goede (en schone) vis onmisbaar is voor blijvende voedselzekerheid, kunnen zij wellicht hun autoriteiten tot actie bewegen.